Veiligheid in situaties met explosiegevaarlijk stof en gas Explosiegevaar door stof of door gas? Er bestaat explosiegevaar als er tegelijkertijd drie factoren aanwezig zijn: 1. lucht 2. brandbaar stof / brandbare gassen 3. werkzame ontstekingsbronnen   Explosiegevaarlijke atmosferen kunnen ontstaan door brandbaar stof (explosiegevaar door stof) of door brandbare gassen of dampen (explosiegevaar door gassen) in verbinding met lucht. Verder moet er een werkzame ontstekingsbron aanwezig zijn, die deze ontstekingsgevaarlijke atmosfeer kan ontsteken. Werkzame ontstekingsbronnen kunnen zijn:  |  |  |  |  | vuur, vlammen, gloed | elektrisch veroorzaakte vonken | elektrostatische ontladingsvonken | hete oppervlakken | VEILIGHEIDSMAATREGEL: het zeker vermijden van EEN van de drie factoren Ofwel men heeft een explosieve atmosfeer op of voorkomt het ontstaan, b.v. vermijden van stofafzettingen door regelmatig reinigen, ofwel men vermijdt de ontsteking. Het is niet altijd mogelijk te verhinderen dat er een explosiegevaarlijke atmosfeer ontstaat. Dan moet dus worden vermeden dat het betreffende mengsel kan ontsteken. Hiervoor moeten apparaten die een mogelijke ontstekingsbron kunnen vormen uit de buurt worden gehouden of zodanig worden geconstrueerd dat ontsteking niet mogelijk resp. niet waarschijnlijk is. Hieruit volgt de noodzaak apparaten die zonder gevaar in een explosiegevaarlijke atmosfeer kunnen worden gebruikt te keuren of van een merkteken te voorzien. De basis voor het goedkeuren van apparaten voor gebruik in explosiegevaarlijke situaties is de Europese Richtlijn 94/9 EG (ATEX-richtlijn), die sinds 30 juni 2003 voor alle Lid-Staten van de EU geldt. Als een apparaat explosieveilig is, dan mag het nog lang niet overal gebruikt worden. Aan apparaten die bestemd zijn voor explosiegevaarlijke omgevingen worden verschillende hoge eisen gesteld, afhankelijk van het potentiële gevaar. Hiervoor voorziet de ATEX-richtlijn verschillende categorieën en potentiële gevaren: Definitie van de categorieën | Categorie 1 | Apparaten voor toepassing in situaties waarin de explosiegevaarlijke atmosfeer voortdurend, lange tijd of vaak aanwezig is. De apparaten moeten zelfs bij zelden optredende storingen de veiligheid garanderen. Er zijn twee onafhankelijke, constructieve veiligheidsmaatregelen noodzakelijk. | | Categorie 2 | Apparaten voor gebruik in situaties waarin de explosiegevaarlijke atmosfeer zo nu en dan aanwezig is. | | Zelfs bij vaak optredende storingen van het apparaat moet de veiligheid gewaarborgd zijn. | | Categorie 3 | Apparaten voor gebruik in situaties waarin de explosiegevaarlijke atmosfeer slechts zelden en gedurende korte tijd optreedt. Bij normaal bedrijf waarborgen de apparaten | | de vereiste veiligheidsgraad. | Goedkeuringsgroepen van apparaten | Apparaatgroep l | voor gebruik in ondergrondse mijnen Categorie M1 (M = Mining) - Categorie M2 | | Apparaatgroep ll | Voor gebruik buiten de mijnbouw Categorie 1: zeer hoge veiligheidseisen Categorie 2: hoge veiligheidseisen Categorie 3: normale veiligheidseisen | Indeling van de apparaten voor verschillende zones | Categorie | Geschikt voor type explosiegevaarlijke atmosfeer | gebruik toegestaan in zone | gebruik ook toegestaan in zone | | 1 | gas-/luchtmengsel resp. damp-/luchtmengsel resp. nevel | 0 | 1 + 2 | | 1 | stof-/luchtmengsel | 20 | 21 + 22 | | 2 | gas-/luchtmengsel resp. damp-/luchtmengsel resp. nevel | 1 | 2 | | 2 | stof-/luchtmengsel | 21 | 22 | | 3 | gas-/luchtmengsel resp. damp-/luchtmengsel resp. nevel | 2 | - | | 3 | stof-/luchtmengsel | 22 | - | 
|